12 juni 2019

De reis van Yarim is Kerntitel van de Kinderboekenweek in 2019.

In 1990 reisde ik door Pakistan en Jordanië om onderzoek te doen voor mijn historische roman Het gouden oog. Twee jaar later trok ik met Monique en onze dochter door Syrië om de volgende twee boeken over Yarim voor te bereiden – de vader van de huidige Assad was toen als dictator aan de macht, maar het land werd nog niet door oorlog verscheurd.
Vijf jaar heb ik aan de historische verhalen gewerkt. Omdat ze veel voor mij betekenen, bundelde Querido ze toen ik het Kinderboekenweekgeschenk schreef: De reis van Yarim. En vandaag is er na tien jaar een prachtige herdruk verschenen van deze historische roman, 492 blz. dik.
Ik ben blij!

Over de reis naar Syrië schreef ik een reisverhaal, hieronder het begin:

Onze dochter Imme was zeven jaar. Oud genoeg om met een rugzak door Syrië te trekken, dachten Monique en ik. Als voorbereiding voor een historische roman wilde ik opgravingen en musea bekijken en voelen hoe het is om in een woestijn rond te lopen. En naar Palmyra natuurlijk – hoe sprookjesachtig kan de naam van een stad klinken? We kozen een periode buiten het vakantieseizoen, en een hotel in Damascus waar in die periode ongetwijfeld plaats voor ons zou zijn. Ver na middernacht kwamen we aan, en vervolgens reed de taxichauffeur
ons twee uur lang van hotel naar hotel naar hotel. Overal hetzelfde antwoord: maffi – vol! Maffi maffi – vol vol. Pasen werd hier een week later gevierd dan bij ons en iedereen leek op vakantie: nergens in Damascus was een kamer te vinden. Maar gelukkig, de taxichauffeur had vrienden en die vroegen minder dan een hotel. Bij een flat in een buitenwijk ging hij even naar binnen. Blij lachend kwam hij terug. Monique droeg Imme door een stinkend gangetje naar een slaapkamer met een tweepersoonsbed. Geen lakens, geen dekens, het matras was nog warm – kennelijk had de chauffeur zijn vrienden snel het bed uitgejaagd. Het keukentje werd bewoond door honderden kakkerlakken die ritselend wegschoten toen ik het kale peertje aanknipte. We besloten naar iets anders uit te kijken en kropen de taxi weer in. Tegen vijf uur belandden we doodmoe in de laatste vrije kamer van heel Damascus. Met zijn drietjes wurmden we ons in een twijfelaar. Honderd dollar, de kop was er af.

De volgende middag bezochten we de souk. Tapijtverkopers, schoenmakers, zilversmeden, stalletjes vol plastic bakjes, broodjes falafel. Ik genoot van het onbekende, van de drukte, de opdringerige verkopers. Imme werd pas enthousiast toen ze een hondje ontdekte. Net zo’n hondje als ze thuis in een speelgoedwinkel had gezien. Als je er batterijen in deed, liep het venijnig keffend over de toonbank. Zo’n hondje, dat was precies wat ze wou. Maar hier verkochten ze alleen witte en zij wou een bruine. ‘Vinden we wel,’ zei ik, niet vermoedend dat we vanaf dat moment alle speelgoedstalletjes in Damascus, Hama, Palmyra, Deir ezzor, Tartus en Aleppo met een bezoek zouden vereren…